Rapport

Belasting eenmalige verpakkingen

De rijksoverheid verkent de invoering van twee belastingen op verpakkingen voor eenmalig gebruik: een kunststofverpakkingenbelasting en een inzamelbelasting op kunststof drankflessen en blikjes.

In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Financiën heeft CE Delft onderzocht hoe deze belastingen kunnen worden vormgegeven en wat de mogelijke effecten zijn. Daarbij is gekeken naar circulariteit, CO2-uitstoot, inzamelrendement, belastingopbrengsten en financiële lasten voor bedrijven en consumenten.

Voor de kunststofverpakkingenbelasting schatten we dat de extra inzet van recyclaat in 2035, circa 5 tot 20% bedraagt. Recyclaat is gerecycled kunststof dat opnieuw wordt gebruikt in nieuwe verpakkingen. De vermeden CO2-uitstoot bedraagt circa 100 tot 500 kton per jaar en de belastingopbrengsten nul tot 150 miljoen euro per jaar De verpakkingenbelasting maakt het rendabeler om meer recyclaat in te zetten, waardoor de belasting een borgend effect heeft om de voorgestelde Europese wettelijke 2030-doelen voor een verplicht aandeel recyclaat in verpakkingen te realiseren (Europese Verpakkingenverordening, PPWR). Hoe groter de inzet van recyclaat, hoe lager de opbrengsten uit de belasting.

Voor de inzamelbelasting op kunststof drankflessen en blikjes is het effect op de toekomstige inzameling erg onzeker. Voor 2035 ramen we de vermeden CO2-uitstoot op 0 tot 9 kton per jaar en de belastingopbrengsten op 0 tot 65 miljoen euro per jaar. Deze inzamelbelasting kan bijdragen aan hogere inzamelpercentages, doordat zij de financiële drempel verlaagt om extra inzamelmaatregelen te nemen. De omvang van dit effect hangt sterk af van de autonome ontwikkeling van het inzamelpercentage: als de inzameling zonder belasting al sterk verbetert, is het aanvullende effect beperkt; als de inzameling achterblijft, kan de belasting een grotere rol spelen.