Op koers naar duurzame havens in het Noordzeekanaalgebied

Quick scan van sturingsinstrumenten

In toenemende mate willen gemeenten en provincies duurzaamheid binnen hun regio bevorderen, al verschillen de precieze definities van dit concept. Zo ook rondom de ontwikkeling van haventerreinen langs het Noordzeekanaal. Diverse partijen werken momenteel aan een toekomstvisie waarin de gewenste ontwikkelroute voor dit gebied op de lange termijn wordt beschreven. De Statenfractie van GroenLinks in Noord-Holland zet in dit kader in op een verduurzaming van activiteiten in het gebied zodat deze voldoende werkgelegenheid en mogelijkheden tot economische groei bieden zonder dat dit ten koste gaat van milieu, natuur en landschap.

De fractie heeft CE Delft dan ook gevraagd te inventariseren op welke manieren overheden kunnen sturen op duurzame ontwikkelingen in de havens van het Noordzeekanaalgebied. In dit rapport worden drie beleidspijlers nader uitgewerkt:
  1. Sturing op toekomstige activiteiten.
    Er kan een samenhangend, actief vestigingsbeleid worden vormgegeven waarin wordt ingezet op het selectief toelaten van activiteiten met een gunstig milieuprofiel. Relevant in dit kaderis het actief aantrekken van bedrijven die passen binnen clusters van industriële sectoren die elkaars restgrondstoffen en restwarmte gebruiken.
  2. Sturing verkeer en vervoer.
    Het is mogelijk onderscheid te maken naar de milieuprestaties van schepen die de havens aandoen (NOx- en SO2-uitstoot). Dat kan door middel van het invoeren van gedifferentieerde haventarieven op basis van de ‘Environmental Ship Index’, idealiter samen met andere havens.
  3. Sturing op infrastructurele aanpassingen.
    Het gaat om investeringen in een duurzame ruimtelijke inrichting van het gebied, waar aandacht is voor efficiënt ruimtegebruik, groenvoorzieningen en de opwekking en het gebruik van duurzame energie. Bovendien kan efficiënt energiegebruik door (nieuwe) bedrijven op locatie gestimuleerd worden. In de rapportage komen verschillende instrumenten aan bod die kunnen worden ingezet om dit te bereiken, waaronder statiegeldregelingen, ‘rood voor groen’, kostenverevening, verhandelbare gebruiksrechten en duurzaamheidfondsen.

rapport

Auteurs CE

Martijn Blom
Marisa Korteland
Dagmar Nelissen

Delft, mei 2010